Terug naar het dorp is nu geen enkele optie voor de sjacheraars in Kenia

Translating…

Lementère vertrok vorige week met zijn kudde naar de bergen. „Het is droog op de savanne en de koeien moeten eten. Je kunt een nomade niet vertellen thuis te blijven.” Zijn laatdunkende lachje blaast door de telefoon. Alle Kenianen moeten vanwege corona ’s avonds binnenblijven. „Wij nomaden van Noord-Kenia hebben onze eigen God en wetten. Die storen zich niet aan corona”, wimpelt Lementère het overheidsgebod af.

Vlak onder de oppervlakte van Afrika’s zwakke natiestaten liggen oude culturen en dito economische structuren. Veel Afrikanen groeiden op met gebruiken die de voorkeur genieten boven wat de wet voorschrijft. „We leefden altijd in de marge. Onze kracht is onderlinge solidariteit en vertrouwen. En zelfredzaamheid. We zijn niet afhankelijk van de overheid”, zegt Lementère.

De levens van miljoenen Afrikanen spelen zich af ver van het overheidsgezag en van de officiële economie. Ruim twee derde van de economische activiteit speelt zich af in de informele sector, waar de lonen laag en onregelmatig zijn en de mensen arm.

Kenianen zien hun land graag als een natie van ritselaars met weinig controle van de regering over haar onderdanen en met burgers die voor zichzelf zorgen. De regering verstrekt burgers geboorte- en overlijdenscertificaten en daar blijft het dan bij. De overheid zorgt verder niet voor ze.

Je kunt een nomade niet zeggen thuis te blijven, die stoort zich niet aan corona

Lementère nomade in Kenia

Neem Eric Ondiek (31). Hij is de autowasjongen van een kantoorbuurt in de wijk Westlands van Nairobi. Hij bouwde zijn carrière op in de informele sector door keihard te werken, soms tot diep in de nacht. Indien gevraagd naar zijn carrière, geeft hij het antwoord dat iedereen die in de informele sector werkt, typeert: „Ik scharrel wat.” Eerst werkte hij als supervisor in de autowasserette voor de kantoorlui, nu is hij de eigenaar. „Ik was geslaagd”, zegt hij met een zuur gezicht, „nu is het voorbij.”

Autowasserette

Vóór het coronavirus uitbrak wasten op een parkeerterrein achter de nu gesloten kantoren zijn tien werknemers wel 35 auto’s per dag, nu nog geen tien. Ook wippen taxi’s niet meer langs voor een wasbeurt. „Ik betaal mijn werknemers per opdracht en ze verdienen nu zo weinig dat ze van hun inkomen nog niet hun transport kunnen betalen. Ik doek mijn zaakje op. Ik heb vier kleine kinderen te voeden. Een leven in Nairobi kan ik mij niet meer permitteren.”

Het Afrikaanse informele economische model heeft zich voortgeplant van het dorpsniveau naar het bedrijfsleven in de steden toen het continent de afgelopen halve eeuw sterk urbaniseerde. Schamele gemeentes werden in korte tijd megasteden. Bij gebrek aan een evenredige industrialisering vielen miljoenen werkzoekenden terug op de informele economie en ze gingen wonen in, wat de Wereldbank ‘minder bevoorrechte’ buurten noemt – getto’s dus. Die sloppen vertonen nog een beetje de sociale solidariteit van het platteland – veel rek zit er niet in, nu corona en lockdowns hun tol eisen.

Woensdag waarschuwde ILO, de internationale arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties, voor de ‘verwoestende consequenties’ die vooral werknemers in de informele economie – ruim 60 procent van de werkende wereldbevolking – zullen treffen. In Afrika is 85,8 procent van de werkgelegenheid informeel. ILO waarschuwt dat driekwart van de werknemers in deze sector mogelijk niet meer in het eigen onderhoud kunnen voorzien door corona.

In het kantorenblok aan de Ring Road Parklands in Westlands sloot een middelgroot internationaal financieel bedrijf zijn deuren vanwege corona. Dat beroofde niet alleen de zeventig werknemers in Nairobi van hun werk, het hele sociaal-economische model van de wijk ligt op zijn gat. Want indirect verschafte het bedrijf werk aan tientallen anderen in de informele sector. De groentevrouw die kool aan de voedselkiosk verkoopt waar de boekhouders lunchen, de student die zijn collegegeld verdient door telefoonkaarten te slijten, de chauffeur van de brommertaxi, de agent, de bewaker, de bedelaar, de zakkenroller, de schoenpoetser.

“>
Nadat markten in Nairobi werden gesloten ging deze groenteboer zijn kool maar langs de weg verkopen.Foto Brian Inganga/AP

Door de ronkende files

Zo verzorgde Joseph Mutua (43) de toevoer van kantoorproducten. Hij wasoffice boy.Elke dag wachtte hij met zijn brommer voor het kantoorgebouw op werk. Hij knikte beleefd naar de goedgeklede passerende boekhouders. Hadden ze hem nodig, dan sprong hij op zijn brommer en wrong hij zich door de ronkende files. Om officiële documenten te bezorgen, maar ook als iemand in een van de kantoren hem vroeg even bij de kruidenier langs te wippen. „Dan kreeg ik een forse fooi.”

Het ging hem zó voor de wind, dat hij op het punt stond zijn op krediet gekochte brommer af te betalen. „Maar opeens was alles voorbij. Ik dacht een toekomst te hebben, ik zou mijn kinderen in ons dorp naar een goede school sturen en ik spaarde om mijn vrouw te laten bijleren. Alles in één klap weg! Nairobi is om geld te verdienen, niet om uit te geven. Ik vertrek.”

Lees ook:In Afrika zijn epidemieën nooit ver weg

Sommige dingen veranderen nooit, ook niet in coronatijd. „Een inkomen heb ik nauwelijks meer”, vertelt Mary Anyango (35) die een voedselkiosk runt naast het parkeerterrein. „Geen enkele klandizie. En toch blijven de hyena’s van de gemeente en de politie komen om mij geld af te persen. Ze zeggen dat ook zíj moeten eten in deze moeilijke tijden. Ik smeek ze, maar ze lachen me uit. Als ik niet betaal dreigen ze mij veertien dagen in quarantaine te zetten.”

Frisdrank is al een luxe

Mary Anyango is eenlunch lady.In haar eenvoudige voedselkiosk serveerde ze in normale tijden patat, worstjes en thee met oliebol aan de werknemers in de belendende kantoren. Ook kon je er een pak melk of frisdrank kopen. „Het is nu akelig stil in de buurt”, zegt ze. „Ik ben zo gespannen. Hoe moet ik nu verder? Ik ben een alleenstaande moeder en heb kinderen te voeden.”

Deze week sluit ze haar nering. „Ik verkoop bijna niets meer. En als er al een klant komt, kan hij zich nog niet een frisdrank veroorloven. Dat geldt tegenwoordig als een luxe. Ikzelf verdien niet meer genoeg voor mijn dagelijkse transport. Ik kan me zelfs geen melk meer veroorloven voor mijn jongste kind. Mijn huisbaas dreigt me uit mijn woning te gooien als ik eind deze maand de achterstallige huur niet betaal. Dan heb ik geen winkel meer, en geen huis.”

Ze wil weg uit Nairobi. „Ik wil terug naar mijn familie in het dorp, daar hoef ik geen huur te betalen en daar is het voedsel goedkoop. Ik weet het, ik mag Nairobi niet uit van de regering. Maar wat doet de regering voor mij? Corona is een ziekte van rijkelui uit Europa. Zij ontspannen zich nu in hun grote huizen. Ik moet straks stiekem uit Nairobi zien te glippen. Ik hoop dat er een corrupte politieagent is die me zal doorlaten.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 1 mei 2020

Een versie van dit artikel verscheen ook in nrc.next van 1 mei 2020

Lees Verder

Plaats een reactie