Productie van elektrische auto’s blijft nog lang duu

Translating…

Het duurt nog ruim tien jaar voordat het gemiddeld net zoveel kost om een elektrische auto te bouwen als een brandstofauto. Dat concludeert internationaal adviesbureau Oliver Wyman op basis van eenonderzoek dat het uitvoerde in opdracht van de Britse zakenkrantFinancial Times.

In 2030 kost het volgens de onderzoekers gemiddeld 16.000 euro om een kleine elektrische auto te bouwen. Dat is een vijfde minder dan nu, maar nog altijd zo’n 10 procent meer dan het tegen die tijd zal kosten om een auto met verbrandingsmotor te fabriceren. Pas in de jaren daarna komen de twee bedragen echt bij elkaar in de buurt, is de verwachting.

De hoge prijs zit ’m vrijwel volledig in de batterijproductie. De kosten voor dit cruciale onderdeel zijn nu relatief hoog, aangezien er wereldwijd nog weinig capaciteit is om batterijen te maken. De verwachting is dat de prijs van een batterij de komende jaren flink gaat dalen, als er meer fabrieken komen die op grote schaal produceren. Een batterij van 50kWh kost nu nog zo’n 8.000 euro, maar dat zal aan het einde van het komende decennium vermoedelijk ongeveer de helft zijn.

Volgens de onderzoekers maken de resultaten opnieuw duidelijk hoe lastig de komende jaren voor grote autobouwers gaan worden. Niet alleen is de vraag door de coronacrisis grotendeels ingestort, de fabrikanten hebben ook moeite de overstap naar elektrische auto’s financieel rond te krijgen.

Europese boetes

Strenge emissienormen en een groeiende vraag uit de markt dicteren die overgang, maar autobouwers kunnen met elektrische modellen nog lang niet dezelfde winstmarges behalen als met verbrandingsmotoren – als er al winst gemaakt wordt. Hoewel elektrische auto’s vaak duurder zijn, worden investeringen in innovatie en dure onderdelen niet altijd volledig doorberekend aan de klant. Een keuze hebben de fabrikanten niet: bij hogere prijzen verkopen de auto’s slecht, en dan volgen vanaf eind dit jaar boetes van de Europese Commissie omdat emissienormen voor de autovloot niet gehaald worden.

Lees ook:Europese autobouwers steeds dieper in de problemen

De puzzel waar autobedrijven voor staan, werd eind juli treffend geïllustreerd door Carlos Tavares, topman van PSA (onder andere Peugeot, Citroën). Hij kondigde aan de kosten van zijn bedrijf omlaag te willen brengen door onder meer te bezuinigen op kantoorruimte: de coronacrisis liet zien dat dit kon. Zo zou de winstgevendheid op peil kunnen blijven terwijl de verkoop van elektrische auto’s groeit. PSA staat er op het gebied van elektrisch rijden nog tamelijk goed voor vergeleken met veel andere producenten. De uitspraken van Tavares waren voor de FT aanleiding Oliver Wyman te vragen onderzoek te doen.

De onderzoekers merken in hun rapport op dat de productiekosten van auto’s op stroom en auto’s op fossiele brandstof elkaar niet alleen naderen omdat batterijen goedkoper worden. Een rol speelt ook dat brandstofauto’s bouwen vermoedelijk juist duurder gaat worden. De interieurs ervan worden namelijk steeds luxer, wat meer geld kost. Die prijsstijging kan niet worden gecompenseerd door goedkoper te produceren; in productielijnen voor brandstofauto’s zal nauwelijks meer worden geïnvesteerd.

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 1 september 2020

Een versie van dit artikel verscheen ook in nrc.next van 1 september 2020

Lees Verder

Plaats een reactie