Niet de vrijheid waar de Kosovaren van droomden

‘Ik ken die man’, zegt Veton Nurkollari. Voor hem ligt een twintig jaar oude foto van een Kosovaars-Albanese familie uit Prizren. Op 13 juni 1999, een dag na de intocht van de NAVO in Kosovo, haalde de vader van het gezin ons in een auto van de straat. Die avond sliepen we op de beste matrassen – zijn kinderen lagen zo lang op de grond.

Nu willen we hen opzoeken, alleen zijn we naam en adres te noteren. We hebben alleen die familiefoto’s. In een stad met 127.000 inwoners is dat een zoektocht naar een speld in een hooiberg.

Twintig jaar geleden trok de NAVO Kosovo binnen, na een drie maanden durend bombardement op Servië en de Servische troepen in Kosovo. Zo hoopte het bondgenootschap die troepen te verdrijven en het regime van Milosevic op de knieën te dwingen. Dat lukte, two dagen for the intocht tekende Servië de overgave. De slakken om Kosovo zouden Milosevic ‘laatste oorlog worden.

In de weeks voorafgaand aan de NAVO-intocht zwierven fotograaf Maurice Boyer en ik langs de rafelranden van de oorlog. Servië deporteerde in die dagen tienduizenden Kosovo-Albanezen. In een onafzienbare stroom komen ze de grens met buurlanden Albanië en Macedonië over. Al snel verrezen de eerste vluchtelingenkampen buiten het Noord-Albanese plaatsje Kukës. In een van die kampen ontmoetten wij de boerenfamilie Isufi: drie broers ontmoet hun bejaarde ouders, vrouwen en kinderen. Het oudste soort was twaalf, de jongste een baby.

We raakten verknocht aan hen. Aan Sami, de oudste zoon die enige tijd in Zwitserland had gehad en een beetje Duits sprak; aan Besmik, de driejarige zoon van de middelste broer die iedereen met zijn capriolen noodzaakte; aan Fatmire, de echtgenote van de jongste broer in wie we een anti-autoritaire, vrije geest ontwaarden.

Drie matrassen en dekens kochten we voor hen. Maar toen kondigde het einde van de oorlog ons aan en haastten we ons terug naar de Macedonische grens, vanwaar het NAVO-konvooi zou vertrekken. Maurice gaf 170 Duitse Marken om, zo zei hij tegen Sami, bij terugkomst op hun boerderij zaden te kopen.

Op 12 juni 1999 trok het konvooi Kosovo binnen. Die dag reden we door een verwoest land. Gebombardeerde wegen, kapotgeschoten minaretten, in brand gestoken huizen – de flarden zwartgeblakerd wasgoed hingen nog aan de lijn. In de vielen lagen dode koeien op hun zij, “ik ben uiers zo groot als skippyballen”, schreef ik slachtoffer. Het grote gegeven indruk op ons. Niet in de andere plaats wegens de mensen die ons eten gaven, ons onderdak boden, ons hun verhalen vertelden. En vaak vroegen we ons af: wat is er van hen geworden?

Vluchtelingen uit Kosovo worden in maart 1999 gedeporteerd, ze lopen over het spoor naar de grensovergang met Macedonië.Maurice Boyer

Bloeiende trouwindustrie

“Ik kén die man”, zegt Nurkollari nadenkend. Na de NAVO-soldaten in Prizren waren aangekomen, rond middernacht, hadden ze in allerijl met rollen prikkeldraad een kampement uitgedrokken. De meegereisde journalisten mochten daar niet bij. Dus parkeerden we onze auto’s voor het prikkeldraad en hardden de wacht. Om dronken, verslagen Servische soldaten af ​​te schrikken, militairen de loop van een tank zo dat deze over het dak van autootje stak.

In die toestand had de man op de foto ons de volgende. Maar waar is hij nu? Indertijd woonde het gezin in het historische centrum van de stad. Maar ze kunnen verhuisd worden naar de buitenwijken van naar het buitenland, op zoek naar werk, zoals zoveel Kosovaren. Officieel is 30 procent van de beroepsbevolking van Kosovo werkloos – en dat is nog niet zonder de verborgen werkloosheid.

In Prizren is het niet veel anders. Ooit kende de stad een bundel metaal- en trouwindustrie, – “least three dresses and kilo’s gold for the bride”, grapt een woman – but the fabrieken are closed and though the market no. .

“Ik weet het!” Nurkollari, directeur van filmfestival Dokufest in Prizren, kijkt verheugd. “Hij lijkt op mijn bakker.” Niet veel later staan ​​we in een bakkerij, waar Ali Magiteva, zo zijn hij te heten, pardoes een brood uit zijn handen laat vallen en ons in de armen sluit.

Volkortheid waren Ali en zijn gezin oorspronkelijk. Vooral zijn oudste dochter, de achttienjarige Vezire, glom bij de beslissing aan de nieuwe toekomst – bevrijd van het Servische juk, beschermd door westerse strijdkrachten en gesteund door internationale grootmachten ging ze een ander leven tegemoet. Anders dan haar moeder en haar moederers moeder, zou ze studeren, werken, reizen.

De studie kwam er: ze ging naar de pabo. Het werk kwam er ook: ze stond voor de klas. Ze heeft Boedapest en Venetië gereden. Maar de desillusie volgde al snel. Na twee jaar werd ze ontslagen. Later kreeg ze geen baan meer, “omdat wij niet de juiste mensen kennen”. En ze is alleen naar het buitenland omdat ze een Macedonisch paspoort bemachtigde. Haar Kosovaarse vriendinnen krijgen geen EU-toeristenvisum.

Maurice Boyer

“Het is hier net Gaza”, zegt Nurkollari. Van alles wat mis gaat in die twintig jaar na de intocht van de NAVO – international bigmachten deelt hun beloftes niet na, Albanese guerrillacommandanten veranderden in op beliegies politici, corruptie gijzelde de healthcare, het onderwijs en de rechterlijke macht – is het EU- visumbeleid de grootste problemen. “Dat de EU ons, Europeanen, niet eens wil ontvangen”, zegt Vezire.

Kosovo aan de door de EU vastgestelde criteria heeft voldaan, krijgen de aangevallen geen toeristenvisum voor de EU. Werkvisa krijgen ze weer wel. Jan Braathu, hoofd van de OVSE-missie in Kosovo, noemt dat “hypocriet”. Hij schrijft de visumproblematiek teen aan de angst van de EU voor corruptie, criminaliteit en migratie. “Maar je kunt corruptie van misdaad niet door middel van een visaregime bestrijden.”

Door het strikte visaregime kunnen studenten drempel oudsten kennis opdoen en kunnen ouderen niet hun familie in de diaspora bezoeken. Dat doet iets met de mentaliteit van dit jonge land: bijna 70 procent van de inwoners is jonger dan 35 jaar. Turkije steekt maar al te graag een hand toe. Het aanbod studiebeurzen in Istanbul en Ankara aan en investeert in Kosovo in onderwijs, wegen en moskeeën. En die moskeeën raken steeds met voller. Toen Braathu hier kwam werken, in 2011, “waren de moskeeën op vrijdagmiddag voor de helft gevuld, met oude mannen. Nu zit ze elke vrijdag vol jonge mensen “.

Ook de dromen van de familie Magiteva werden gefnuikt: vader Ali ging in een laminaatwinkel werken, workersverzekeringen komen er nooit. Nu is hij zevenenzestig en zonder pensioen, de reden dat hij tijdens de ramadan bijklust in een bakkerij. Dochter Vezire trouwde, trok bij haar schoonfamilie in, kreeg twee kinderen en werd huismoeder, net als haar moeder en haar moeders moeder.

Blerim Isufi in 1999, in een vluchtelingenkamp in Kukës, Albanië.Maurice Boyer

Een laadbak vol meloenen

Twee dagen na de intocht van de NAVO in Prizren reden we naar de grensovergang met Noord-Albanië. Duitse NAVO-soldaten waren druk bezig de explosieven die Servische militairen in allerijl aan het douanehokje hadden gehangen, te ontmantelen. Intussen, achter de slagbomen, zwol de menigte Albanese vluchtelingen aan. Diezelfde nacht begon de uittocht uit de vluchtelingenkampen, alleen gaan de mensen keer op keer naar huis.

In de chaos konden we de familie Isufi niet vinden. In plaats daarvan reden we terug met de familie Kolcesi, in een open laadbak, met midden van duizenden en vluchtelingen. Toen kwamen we na een tocht van twaalf uur bij hun boerderij in Vranic aan, bleek een deel van het huis van de Servische soldaten in brand te zijn gestoken.

Maurice Boyer

De familie Isufi zouden we enkele weken later in hun gehucht Gadime terugvinden. Inato tot de Kolcesi’s zij zij hun boerderij ongeschreekt. En al snel reden Sami en zijn broers met een laadbak vol meloenen naar de markt en veegden hun vrouwen de vloeren weer aan. Maar ‘s avond boog Sami zich samenzwangerig voorover: “Kun je een geheim bewaren?” Nog later torste hij een loodzware kalashnikov de tuin in. “Kostte maar 170 mark. Daarmee kunnen we ons verdedigen als de Serviërs terugkeren. “Maar het geld was toch bereid om zaden te kopen? Sami haalde zijn schouders op.

Er is veel veranderd in twintig jaar tijd: het gehucht is een dorp geworden, de zandweg is geasfalteerd, en waar eens dood koeien lagen, staan ​​nu nieuwe huizen. De luiken are closed en de bloemperken are leeg, want ze is teen teen aan de omvangrijke Albanese diaspora is here slechts twee maanden per jaar, in de zomer. Met hulp van dorpelingen vinden we Sami. Argwanend loopt hij ons tegemoet, zo-even waren er mensen van de protestantse kerk, ze proberen de moslims in Kosovo te bekeren, maar Sami heeft ze van zijn erf gestuurd. Dan legt hij zijn hand op zijn hart; na al die jaren heeft Allah ons teruggebracht!

Net als voor de Magiteva’s waren de perspectieven voor de Isufi’s goed – na de bevrijding van Kosovo kwamen er tientallen ngo’s die zich gingen bezighouden met de wederopbouw van het land. Er behoeft te worden gebouwd, bruggen gerepareerd, scholen en ziekenhuizen opgeknapt. De Isufi leken geknipt voor het praktische werk.

But not not the best people and the lucrative, fixed arbeidscontracten goes to an nose voorbij. Voor hen bleven de kruimels over, af en toe een tijdelijk contract in de bouw en de landbouw. Fatmire ruilde haar vrije geest in voor een geestdodend baantje op een boerderij. De helft van het jaar plukt ze frambozen en borstelt ze champignons schoon, van acht uur ‘s ochtends tot acht uur’ s avonds, voor tien euro per dag. De andere helft van het jaar zit ze thuis.

Maurice Boyer

En net als bij vader Magiteva ontbraken de verzekeringen. Dus toen Sami’s oudste zoon vier jaar geleden op een bouwplaats van de vierde naar beneden viel, gebruik hij dat beetje beetje zijn botten en in coma raakte, stond de familie met lege handen. Het bouwbedrijf is niet verantwoordelijk voor de duur van de operaties.

Met hulp van vele verwanten en dorpelingen brachten ze uiteindelijk elfduizend euro bij elkaar. Sami’s zoon kwam bij uit de coma; hij werkt ook als bewaker in een grot, een toeristische attractie zelfs verderop. Hij is met zijn hand over zijn geweest. Hier, in deze koude gewelven, spelen de twaalf schroeven die zijn linkeroot bijeen houden, regelmatig op.

Niet de oude moeder van een nieroperatie ondergaan. Daarna was het geld op. Nu wordt Fatmires mond ontsierd door twee ontbrekende tanden – geld voor de tandarts is er niet – en steken de onaffe leidingen uit de kale muren.

En waar is de kalashnikov? Het geweer ligt op de vuilnisbelt, in stukken. Toen Kosovo in 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid uitriep, een stap die de deur uit de 193 VN-werken werd uitgevoerd en ervoor zorgde dat de ganse tijd kon worden gekalmeerd, de ontmantelde de middelste broer Taher het geweer – uit zelfbescherming. “Ik ben nogal opvliegend van aard. Dan is het niet goed om een ​​kalashnikov in huis te hebben. “

Euro’s? Dinars graag

Kosovo mag than veranderd zijn, in the north of the land is de tijd stil blijven staan. Hier, aan de overkant van de rivier de Ibar, waar de meeste Kosovo-Serviërs zijn verschanst, are the houses leeg, is the streets vies en is the hoop vervlogen. Aan deze kant van de rivier wappert niet het blauw-geel van Kosovo maar het rood-blauw-wit van Servië en wordt de koffie niet in euro’s maar in dinars betaald.

Vijf dagen daad de NAVO er indertijd over om Mitrovica te bereiken – de weg lag bezaaid met bommen. Toen we daags daarna aankwamen, hadden de Kosovo-Serviërs zich al teruggetrokken op de noordelijke oever van de rivier. Op de brug over zwaar bewapende NAVO-soldaten die de stoner zijn uit het dagelijks houden.

Vandaag zijn er weer bewapende militairen op de brug. Vanochtend is de Kosovaarse politie een aantal huizen in het uiterste noorden, tegen de grens met Servië aan, binnengevallen. De bewoners, Serviërs, worden verdacht van smokkel. Sinds Kosovo in november 2018 de Verenigde Naties tot Interpol werd geweigerd – een beslissing – Kosovaars – Albanese politici de hand van Servië vermoeden – verdubbelde het land de importtarieven voor goederen uit Servië. Sindsdien loopt de smokkel uit de hand.

Bij de invallen zijn seven Kosovaarse politieagenten gewonded, maar als wij ‘s middags arriveren has a stortbui de oproerkraaiers al van de straten gespoeld. Eigenlijk had ik Olivier Ivanovic willen ontmoeten, een gematigde Kosovaars-Servische politicus met wie ik indertijd regelmatig afsprak. Maar Olivier is vorig jaar vermoord. Doodgeschoten voor de deur van zijn huis Omdat, zo zeggen de mens, hij de smokkel en het bijbehorende geweld aan het licht wilde brengen.

Hier in het noorden van Kosovo staan ​​Albanezen en Serviërs nog steeds tegen elkaar. In the meer progressieve steden Prizren en Pristina drinken studenten van Albanese en Servische afkomst – zij het sporadisch – koffie met elkaar. Maar heeft elke groep toch zijn eigen tafel. Zoals in het uitwisselingsprogramma met Kosovo-Albanezen, Kosovo-Serviërs en Russen. “Waarom zitten jullie niet bij de Serviërs aan tafel”, vroeg een Rus aan een Albanese jonge vrouw. “Misschien moet jij aan je ouders vragen waarom ze Duitsers nog steeds niet mogen”, antwoordde zij.

Maurice Boyer

Koffiebarretjes

Vanuit Mitrovica gaan we naar de hoofdstad Pristina. Daar troffen we, een kleine week na de NAVO-intocht, naast een jubelende menigte op de Moeder Teresa Boulevard, ook een zwaar beschadigd stadion en een kapot winkelcentrum aan. En Jeton Zenuni.

Jarenlang werkte Jeton als assistent voor diverse media. Hij regelde overeenkomsten voor hen, vertaalde. Wij aten in de keuken van zijn ouders, sliepen in hun slaapkamer. Maar nu we kunnen we niet meer vinden. Alles is veranderd: in het winkelcentrum zit moderne kledingzaken en de Moeder Teresa Boulevard is een wandelzone geworden, met koffiebarretjes.

Na lang zoeken vinden we het appartement van Jetons ouders. Ook hijzelf. Na de grootste journalisten uit Kosovo waren vertrokken, in de maanden na 9/11, heeft hij zijn studie medicijnen hervat. Tegenwoordig wordt HIJ arts in Het ziekenhuis van Pristina, Gespecialiseerd in bloedtransfusies, Maar bovenal is HIJ Betrokken bij de FacebookgroepFamilja DHE Shëndeti(familie en gezondheid) waarin Albanezen vragen can Stellen aan Zo’n tweehonderd Albanese dokters meer dan de Hele Wereld.

“Het is mijn manier om de gezondheidszorg toegankelijk te maken en corruptie tegen te gaan”, zegt hij. Corruptie waardoor de Kosovaren voor hun medicijnen moeten betalen – niet zelden de beste bieder – en waar de wachttijden in de ziekenhuizen ellenlang zijn, “while diezelfde dokter over de hoek een privékliniek has where the patient to the all day kan”.

Jeton werkt in het ziekenhuis, voor achthonderd euro per maand. Daar kan hij en zijn gezin prima van leven zijn in Kosovo. Naar het buitenland, zoals zijn broer en zus, hoeven hij niet. Verbaasd kijken we op. Van de Kosovaren zal sterven we de de dagen dagen vergadering, wil het merendeel weg. Maar lang duurt de wilde niet. Nu ja, zegt Jeton, misschien moeten ze toch gaan, voor hun vier dochters. “Wat zal er met kip gebeuren? Als dit land blijft doen, is hetverspillen van talent. “

Welvarende jongeren in Prizren, Kosovo.De kloof tussen arm en rijk is groot, het land gaat gebukt onder corrupie.Vooral jonge Kosovaren dromen van Europa, maar krijgen vaak geen EU-restaurantsvisum.Maurice Boyer

Een versie van dit artikel verscheen ook inNRC Handelsblad van 8 juni 2019

Lees Verder

Plaats een reactie