Herinneringen aan een koloniale jeugd

Translating…

Nadat de lockdown ons van binnen zacht had gemaakt, was de moord op George Floyd een stomp in onze maag. Op Blackout Tuesday postte ik samen met miljoenen andere instagrammers een zwart vierkant als steunbetuiging aan de Black Lives Matter-beweging. Dat er in de 21ste eeuw nog uitgeschreeuwd zou moeten worden dat zwarte levens ertoe doen, had ik niet voor mogelijk gehouden. De filmbeelden van de moord op Floyd bewijzen de hallucinante noodzaak.

Als een bezetene begon ik te scrollen om zo veel mogelijk zwarte vierkanten te ‘liken’. In het begin vol plichtsbesef, maar al gauw op de automatische piloot. Terwijl mijn vingertop op de hartjes tikte, dacht ik aan waterdruppels die de kracht hebben een rots uit te hollen.

Op zoek naar een foto van mijn kindermeisje Moersini stuitte ik in een schoenendoos op een ogenschijnlijk onschuldig kiekje. Ik denk dat ik twee moet zijn geweest. Ik zie een dikke buik vol taart. Over me heen gebogen mijn kindermeisje dat nog meer taart voor me opschept. Het jongetje vertedert me allerminst. Die arrogante blik waarmee je een heel continent kunt innemen. Ik zou hem het liefst een draai om zijn oren geven. Koude rillingen kreeg ik pas toen ik zag dat de vrouw geen gezicht had. Haar hoofd was brutaal afgesneden. Ze was alleen een voorovergebogen lichaam. Ik telde, de taart telde, maar zij niet. Toch was zij Moersini. De vrouw die ik de eerste jaren van mijn leven als mijn bloedeigen moeder beschouwde.

De foto was gemaakt door mijn vader die als jongeman naar Engeland was gevlucht toen de nazi’s Nederland binnenvielen.Daar was hij opgeleid tot paracommando en met een parachute was hij boven Ceylon gedropt om te vechten tegen de Jappen. Mijn leven lang heb ik gehoord dat hij had gevochten voor mijn vrijheid en dat ik en mijn generatiegenoten alleen goed waren in het uitleven ervan. Koloniaal was voor hem een heldenpredicaat. Daarom vond hij het heerlijk dat hij na mijn geboorte naar Suriname werd overgeplaatst.

We woonden voortaan in een bungalow aan de rand van Paramaribo. Achter in de tuin, achter de bananenbomen, begon het oerwoud. Overdag waren Moersini en ik samen. Je kon haar al van ver aan horen komen op haar slippers. Het grootste gedeelte van de dag hield ze zich op in de keuken. Daar kookte ze, deed ze de was en de strijk. Af en toe schreeuwde ze zo hard dat ik dacht dat alle dieren uit het oerwoud de tuin in waren gelopen. Zwaaiend met de pollepel riep ze: „Wat jij willen, klap op je blote bamboebillen.”

Na het eten stopte ze me onder mijn klamboe. Diep in de nacht kwamen mijn ouders thuis. Ze maakten veel lawaai. Ik hoorde zware voetstappen en driftig getik van naaldhakken. Ik heb de brieven die mijn moeder in die periode ’s nachts zieltogend onder haar klamboe (haar eigen bewoordingen) aan haar moeder schreef, teruggevonden. Ze beweerde dat ik een wild kind was dat de hele dag met Moersini apenklanken uitstootte. Ze noemde onze taal denigrerend taki taki. De volgende zin is bijna even choquerend als de foto: „Ik hoor het sloffen van Moersini, de dag is alweer begonnen, kan ze haar poten niet optillen? Zo komt mijn leven nooit van de grond.” Het was ongetwijfeld mijn moeders zwarte humor, maar gezegd was toch dat Moersini een beest was dat voor mijn moeders ongeluk verantwoordelijk was.

Lees ook:Hoe Nederland Suriname heeft uitgebuit en verwaarloosd

In een andere brief vertelde ze geamuseerd het verhaal dat Moersini met een zakdoek aan haar bloedende mond op haar had staan wachten. „De kleine mijnheer wilde ketchup”, jammerde ze. Omdat ze de fles niet met haar handen kon openkrijgen had ze die tussen haar tanden opengedraaid. Het ging niet goed met mijn moeder. Ze dronk en snoof poedertjes die haar lijfarts haar gaf. Ik heb haar dramatische liefdesleven waarvan ik de geheime vrucht ben in mijn romanJachthuisbeschreven. De roman is niet alleen mijn afscheid van haar, maar ook van de moeder die haar schaduw was: Moersini!

Op mijn vierde verjaardag gaf ze mij de Surinaamse vlag. Ik herkende de vijf sterren en de cirkel. Moersini wees naar de rode ster en vroeg: „Wat is dit?” Ik dacht even na en zei: „Dat zijn de indianen.” Haar vinger wees nu naar de zwarte ster: „En dat?” „Dat zijn de Bosnegers.” „En de bruine ster?” „De Javanen!” „En de gele ster?” „De Chinezen!” Ten slotte wees Moersini naar de witte ster. „De witte ster, wat is dat?”

Af en toe schreeuwde ze zo hard dat ik dacht dat alle dieren uit het oerwoud de tuin in waren gelopen

Ik lachte en wilde nu op Moersini’s schoot gaan zitten. „En de witte ster?” „Nou, dat zijn de mensen.”

Grinnikend stopte Moersini mij onder. Ze spreidde de vlag uit als laken. Ze gaf me een kus op mijn voorhoofd, sloot de klamboe en deed de lamp uit. Ik bekeek in het zwakke licht de vijf sterren op mijn bed. Ik vroeg me af welke ster ikzelf was.

Op een morgen werd ik door mijn moeder en vader gewekt.Mijn moeder kleedde me snel aan en pakte wat spullen in. Moersini zat op een hutkoffer en keek verdrietig voor zich uit. „Een kus, ik wil een kus!”, fluisterde ze. Ze tilde me op en bracht me naar de auto, die voor het terras stond. Ik stapte in en daarna ook mijn ouders. Ze zeiden dat we op reis gingen. Ik vond het leuk om op reis te gaan.

De auto trok langzaam op. Moersini rende helemaal mee tot aan het grote hek en zwaaide dat open. Ze wrong haar dikke lijf door het portier en kuste me. Ze kuste mijn gezicht helemaal nat. Ze fluisterde in mijn oor: „Zorg voor je moeder.” Terwijl ze haar lijf terugtrok zei ze onophoudelijk: „Kleine mijnheer, kleine mijnheer.”

De auto draaide de zandweg op. Moersini rende erachteraan en schreeuwde nu kreten die ik niet verstond. Ik vroeg waarom Moersini niet mee mocht op reis. „Moersini hoort bij het huis!”, riep de chauffeur lachend over zijn schouder en toeterde een paar keer. Ik draaide me nog eenmaal om naar Moersini maar ze was al verdwenen in het opstuivende zand.

Lees ook:Groeit het besef van het koloniale verleden bij Nederlanders?

Ik boog mijn hoofd naar achter op de armen van mijn vader en moeder. Ik zag alleen maar blauwe lucht en hier en daar een overhellende palmtak. Later in het vliegtuig zag ik wolken, wolken, wolken, rood en blauw.

Voortaan woonde ik in het land dat Moersini me in het vriesvakje lachend had aangewezen. Ik hoefde met Sinterklaas mijn schoenen niet meer voor de ijskast te zetten maar voor de openhaard. Zwarte pieten waren een herinnering aan de goede oude tijd. Het amuseerde me de negatieven van de Suriname-foto’s tegen het licht te houden. Moersini was wit en ik was zwart. Ik hing mijn kleren op aan een dressboy. Een schattig zwart mannetje met een rood hoedje. Zo onbewust was ik.

Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 kwamen veel Surinamers in Nederland wonen. Volgens mijn vader het bewijs dat de koloniale tijd veel beter was. Ik herinner me dat we op Koninginnedag volgens mijn moeder „hoog bezoek” zouden krijgen. Pas toen we in de auto stapten, zei ze dat het Moersini was die we van de trein zouden ophalen.

Ik werd opeens heel erg bang, straks zouden we elkaar niet meer herkennen, ik schaamde me ervoor dat ik was gegroeid. Toen we bij het station aankwamen, zei mijn moeder laconiek: „Dat wordt twee keer rijden.” Toen zag ik voor de ingang twee Moersini’s staan. „Honderd kilo per stuk”, zei mijn moeder. Moersini wrong zich op de achterbank en sloeg haar armen om mij heen. „De kleine mijnheer”, noemde ze me nog steeds. Mijn moeder riep dat ze niets in de binnenspiegel kon zien. Na een half uur rijden kwamen we thuis. Moersini ging op het tuinbankje zitten en mijn moeder en ik reden terug naar het station voor wat mijn moeder de tweede vracht noemde.

Toen we terugkwamen, was mijn moeder verontwaardigd dat Moersini zich niet had verroerd.„Jullie zullen wel honger hebben”, zei mijn moeder en ging naar de keuken. Ik volgde haar om te helpen. Ze had een blik tomatensaus in een pan gedaan en kookte drie pakken spaghetti. Haar fles whisky stond op het aanrecht. Ik zette in de kamer de televisie aan en liet de vrouwen op de bank plaatsnemen om naar het defilé te kijken. Ik was bang om met hen te praten.

Toen we aan tafel gingen, zag ik dat mijn moeder al uitgeput was. Met haar laatste krachten schepte ze de spaghetti op maar zelf had ze geen trek. Moersini kon niet van mij afblijven. De vrouwen hadden ook nadat ze hadden gegeten honger. Gelukkig was er taart.

Ik ruimde op en maakte koffie. Moersini kwam bij me staan en pakte een pollepel uit de la. „Wat jij willen”, riep ze, „klap op je blote bamboebillen” en toen nam ik haar eindelijk vast. Toen kwam mijn moeder binnen en zei verontwaardigd: „Pardon dat ik jullie stoor.” Ze liep naar haar studeerkamer en sloeg de deur achter zich dicht. „Ze is niet te redden”, zei Moersini. Ze wilde terug naar Amsterdam om op tijd te zijn voor het vuurwerk. „Breng eerst mijn zus”, stelde ze voor, „dan was ik intussen af.” Hoewel ik zag dat Moersini hoopte even alleen met mij te zijn, vergezelde ik mijn moeder om mee op de weg te letten. Toen we terugkwamen was Moersini de keuken aan het dweilen. „Heb je geen zin om hier te komen werken?”, vroeg mijn moeder. „Dat wilt u niet”, zei Moersini.

Terwijl we naar het station reden, waren we alle drie stil. Ik heb Moersini nooit meer gezien. Ik had haar zoveel willen vragen. Het enige wat ik over haar wist, was dat ze in de binnenlanden van Suriname was opgegroeid in een dorpje dat ze had moeten verlaten toen na het bouwen van een dam het dorp onder water was gezet. Als je over het stuwmeer voer, zag je nog de oude kerktoren en de hoogste toppen van de bomen boven het water uitsteken.

Lees ook:Dit is hoe racisme je leven tekent

In mijn studententijd had ik een liefdesverhouding met een hindoestaan uit Suriname. Ik nam hem achterop de fiets overal mee naartoe. Trappend op de pedalen, betaalde ik mijn koloniale schuld af. We lagen hele dagen in een hangmat en hij kookte. Ik wilde mijn Surinaamse tijd terug. Hij was depressief, blowde veel, had geen werk, ook hij was na de onafhankelijkheid weggerukt uit Suriname. We hebben samen nog een maand door India getrokken. Ik heb hem niets over zijn familieverleden gevraagd, maar hij ook niet over het mijne. Ik was er net als hij nog lang niet klaar voor om erover te vertellen.

Een jonge regisseur die ik in Amsterdam interviewde, vertelde me dat ze nog steeds de zweepslagen die haar voorouders kregen op haar eigen rug voelt.Een collega van haar vertelde dat hij verder terug wil gaan in de tijd, voorbij de slavernij, en kracht putten uit de tijd dat zijn voorouders in een paradijselijke wereld samenleefden met respect voor elkaar en de natuur. Als ze gevist hadden, legden ze de graatjes neer op de oever om andere mensen een teken te geven dat ze beter op een andere plek konden gaan vissen.

Naast mijn bed ligt een stapel boeken die ik de komende weken wil herlezen.De vreemdeling in onszelfvan Julia Kristeva.The anatomy of human destructivenessvan Erich Fromm enIch und Duvan Martin Buber. Ik heb ook een antiquarisch boek besteld met de titelHoe ontmoet ik mijn medemens?. Hoe sociaal en open ik mezelf ook vind – ik heb al mijn liefdes op het openbaar vervoer ontmoet – denk ik dat ik nog veel te leren heb. Intussen wil ik niet vergeten wat Freud met zijn concept van de ‘unheimliche Fremdheit’ bedoelde. Ieder mens is in zijn onbewuste een vreemde voor zichzelf.

De autobiografische familiesageJachthuisvan Oscar van den Boogaard is verschenen bij De Bezige Bij, 400 blz, 25 euro.

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 27 juni 2020

Een versie van dit artikel verscheen ook in nrc.next van 27 juni 2020

Lees Verder

Plaats een reactie