Antropoloog Sinan Çankaya: ‘De ander uitsluiten doet ook iets met onszelf’

Translating…

Nee, Sinan Çankaya (37) wordt niet altijd chagrijnig wakker. Maar wel vaak, want het denken, het ruminerende denken, stopt bij hem maar zelden. Sinds hij op zijn twintigste – hij studeerde culturele antropologie aan de Universiteit Utrecht – besefte dat het leven zinloos en absurd is, en hij troost zocht bij Sartre en Camus, moet hij zijn best doen om zich bij het opstaan niet als Sisyphus te voelen die vandaag wéér een rotsblok de berg op moet duwen.

Op een dag, drie jaar geleden, sloft hij uit bed naar de badkamer en nog geagiteerd door alles wat hij nú weer aan gekkigheid heeft gelezen op zijn telefoon, opent hij zijn e-mail. Een uitnodiging van zijn oude middelbare school in Nijmegen. Of hij wil komen spreken bij het veertigjarig jubileum. En of hij zich wil laten interviewen als een „goed voorbeeld” van een oud-leerling die „over grenzen is gaan kijken”, een „wereldburger”. Nog voor de koffie mailt hij terug: „Wat willen jullie dat ik zeg?”

Zo begint Sinan Çankaya zijn nieuwe boek,Mijn ontelbare identiteiten, waarin hij vertelt hoe het was om als kind van migrantenouders uit Turkije op te groeien in Nederland. Intussen reflecteert hij op vooroordelen, discriminatie en racisme. En dan niet zozeer het soort racisme van een witte politieman die zijn knie in de nek van een zwarte arrestant legt en doordrukt tot de dood erop volgt, maar meer het alledaagse racisme in terloopse opmerkingen, ongepaste vragen, argwanende blikken en kille buitensluiting, in het gezien worden als de ander, in het verwijt van overgevoeligheid, in het eisen van aanpassing aan ja, welke norm eigenlijk? Eerder schreef Sinan ÇankayaBuiten veiliger dan binnen, een onderzoek naar discriminatie binnen de Amsterdamse politie. Hij promoveerde erop in 2011. Het jaar daarna publiceerde hijDe controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie, over etnisch profileren door de politie. Hij maakte er naam mee, zeker nadat de rapper Typhoon door een agent aan de kant was gezet omdat zijn donkere uiterlijk niet zou passen bij de dure auto waarin hij reed. Sinan Çankaya is nu universitair docent bij de masteropleiding bestuurskunde aan de Vrije Universiteit.

En toen werd hij een Turk

Het antwoord van zijn oude school is er al om vijf over negen, als hij op de metro staat te wachten die hem van zijn huis in Amsterdam-West naar zijn werk in Amsterdam-Zuid moet brengen. Ze willen dat hij „anekdotes” ophaalt en vertelt over „zijn periode op school”. Jaja, denkt hij. Zitten ze daar echt op te wachten? Hij was een jongetje uit Hatert, waar de andere kinderen Wesley, Danny, Priscilla en Jopie heetten. Hij speelde met iedereen en alle ouders waren ongeveer even arm. Van zijn moeder moest hij voor de goedkoopste melk naar de Aldi fietsen en voor afgeprijsde kaas naar de C1000. Op zijn middelbare school, met voornamelijk witte kinderen uit de betere wijken, werd hij plotseling een Turk. InMijn ontelbare identiteitenvertelt hij over de dag dat hem „hardhandig de schellen van de ogen kletterden”.

Hij zit in de vierde of vijfde van het vwo en op een ochtend wordt hij chagrijnig wakker: verslapen. Hij haast zich naar school, naar zijn klas, en daar zit zijn geschiedenisleraar achter zijn verhoogde bureau. Een tengere man met een snorretje, overhemd en stropdas, grijze trui. Maar wat een bevlogenheid! Hoe die man kan vertellen over de oorlog, over Duitse soldaten en wapens en militaire strategieën. De leerlingen hangen aan zijn lippen. Sinan schuifelt naar zijn stoel en de leraar roept: „Schandalig. Je bent te laat.” En: „Jongen, het zal nooit, nooit, maar dan ook nóóít wat met jou worden. Hoe denk je dat het straks gaat als je moet werken?” Hij vouwt zijn handen rond zijn mond en trompettert: „Doe gewoon geen moeite. Het. Heeft. Geen. Zin.” Dan de verklaring voor Sinans onverantwoordelijke gedrag: zijn Turkse achtergrond. De hele klas lacht.

“>

Foto’s Merlijn Doomernik

Die leraar heette Nico Konst en hij was in de jaren tachtig voorzitter geweest van de nationalistische en extreemrechtse Centrumpartij, tot hij door de schoolleiding werd gedwongen om te stoppen met zijn politieke activiteiten, op straffe van ontslag. In 1995 bleek Konst ook adviseur te zijn geweest van het Nederlands Blok.

InMijn ontelbare identiteitenis Nico Konst een rode draad, en het boek eindigt ook met hem. Het is de dag van het jubileum, Sinan Çankaya komt aan op zijn oude school, omhelst zijn moeder, die ook gekomen is (de enige vrouw met een hoofddoek) en zijn vriendje Jopie van vroeger, en hij loopt door naar de garderobe. Drie mensen sjokken voor hem uit, een van hen is Konst. Zou die hem herkennen? Iemand zegt dat de garderobe onbewaakt is, de jassen kunnen aan een haakje worden opgehangen. Waarop Konst zich omdraait en Sinan recht in de ogen kijkt: „Is dat wel zo verstandig? We weten niet of hier ook onbetamelijke mensen op af zijn gekomen.” Als Sinan later op de dag zijn verhaal houdt en vertelt over die keer dat hij te laat kwam, vouwt Konst, achter in de zaal, weer zijn handen om zijn mond en roept: „Ik kan me er niets van herinneren.”

Klassenmigrant

Op het balkon van zijn zorgvuldig gerenoveerde koopappartement in de Kolenkitbuurt heeft Sinan Çankaya een moestuintje gemaakt. Kropsla, pluksla, wortel, tomaat. Aan de wand van de woonkamer hangen potten met vetplanten. De andere wand: boeken. In de keuken staat de houten kinderstoel van zijn dochtertje van een jaar. Gisteren had ze wat verhoging en Sinan, co-ouder, houdt tijdens het gesprek steeds zijn telefoon in de gaten: als de crèche belt, moet hij haar ophalen. Maar de crèche belt niet. „Ik ben een klassenmigrant”, zegt hij, verwijzend naar de Franse filosoof Didier Eribon. Die ontsnapte ook aan het sociale milieu van zijn jeugd in Reims.

Sinans ouders komen uit een stoffig dorp in Centraal-Anatolië, te midden van dorre tarwevelden. „De familie van mijn moeder woonde aan de westkant en van de mensen daar wordt gezegd dat ze lui zijn. De familie van mijn vader, aan de oostkant, zijn de mensen met de luide stemmen. De mythe is dat mijn betovergrootvader na het werk op het land van kilometers ver naar huis schreeuwde dat hij eraan kwam. En ja, mijn vader heeft een luide stem.” Hij lacht. „Je ziet op het kleinste niveau al hoe stereotypering werkt.”

Sinans moeder was zeventien toen ze met Sinans vader trouwde en naar Nederland emigreerde. Ze bracht vier kinderen groot, mede met de hulp van haar Nederlandse buren. Sinan reageert een beetje geïrriteerd op de vraag of ze zich is gaan emanciperen. „Wanneer is iemand geëmancipeerd?”, zegt hij. En waarvan? Volgens wie? Mijn moeder is een heel sterke vrouw en zij maakte thuis de dienst uit.” Zijn vader was achttien toen hij trouwde en hij werkte in Nederland in een dekbeddenfabriek. Later begon hij zijn eigen dekbeddenfabriek. Nou ja, fabriekje. Hij maakte ook kussens en matrassen. Op een dag nam hij de kleine Sinan mee en liet hem kussens vullen met veren en dons, tot zijn ogen rood zagen. „Wat vond je ervan?”, vroeg zijn vader hem ’s avonds. Sinan: „Heel zwaar.” Zijn vader: „Zoon, elke dag hap ik stof zodat jullie straks kunnen studeren. Richt je op school, dan hoef je dit werk niet te doen.” Sinan hoorde ook nog iets anders: studeren was de manier om zijn ouders trots te maken.

Nederlands racisme is anders, niet minder erg

Sinan Çankaya antropoloog

En? Is zijn vader trots? Hij was er niet bij toen Sinan zijn verhaal hield op zijn oude school. „Klopt”, zegt hij, met tegenzin. „Achteraf was mijn vader boos. Hij vroeg waarom ik hem niet had uitgenodigd.” Waarom had hij dat niet gedaan? „Ja, shit zeg. Omdat ik wilde voorkomen dat hij nee zou zeggen.” Hij wilde niet door zijn vader worden afgewezen? „O, god, ja, nee.” Hij grijpt naar zijn hoofd. „Wat ik erover wil zeggen is dit, en dat raakt aan een sociologisch thema: je ziet hier de pijn van migranten die hun kinderen niet meer begrijpen en de pijn van hun kinderen die zich niet begrepen voelen. Mijn ouders zijn trots op me, maar ze begrijpen niet waar ik mee bezig ben, wat het betekent om onderzoek te doen bij de politie, om de strijd daar aan te gaan, om te promoveren. Hoe bedoel je,ik word doctor? Ga je in het ziekenhuis werken dan? Die sociale vervreemding zie je ook in ons gezin. Ik ben een migrant binnen mijn eigen familie, de pijnlijkste vorm van verplaatsing. Toen het manuscript van mijn onderzoek naar etnisch profileren bij de politie achter slot en grendel dreigde te verdwijnen vanwege de onwelgevallige conclusies en ik het er niet bij wilde laten zitten, zeiden mijn ouders dat ik niet zo ondankbaar moest zijn. De politie had toch al die jaren netjes mijn salaris betaald? Ik moest het laten rusten. Straks zouden ze me het leven nog zuur gaan maken.” Hij zucht. „En tegelijkertijd is er heel veel liefde.”

Waarom was hij antropologie gaan studeren? „En niet,” vult hij meteen in, „geneeskunde of rechten of economie? Dat waren de drie smaken voor migrantenkinderen. Nu is dat helemaal opengegooid, ik zie het bij de studenten op de VU. Maar toen was het een gestolde culturele verwachting.” Van wie? „Mijn ouders, de mensen om ons heen. We zijn naar dit land gekomen om iets te bereiken en beroepen als arts en advocaat of bedrijfseconoom geven status.” Dus waarom dan antropologie? „Ik wilde eigenlijk naar de filmacademie, maar dat durfde ik mijn ouders niet aan te doen. Terwijl, gek genoeg, mijn vader in dat stoffige dorp degene was die films liet opsturen en projecteerde op een groot wit doek op het dorpsplein. Dat vertelde hij me toen ik een jaar of dertig was. Het werd antropologie toen ik naar een open dag in Utrecht was geweest. Het leek me heel interessant, andere culturen bestuderen, volken, stammen. Later kwam het besef dat je de technieken die je leert ook in Nederland kunt toepassen en uiteindelijk ben ik dat dus gaan doen bij de politie-stam: de codes, de processen van in- en uitsluiting, de machtsstructuren.”

Lees meer over Sinan Çankaya’s onderzoek bij de politie:‘Agenten denken dat ze in een bepaalde hoek moeten zoeken’

Dit gesprek was vóór de dood van George Floyd en de wereldwijde reacties erop, en Sinan Çankaya zegt dat de cultuur van discriminatie en etnische profilering bij de politie die hij beschreven heeft maar heel langzaam verandert. „Politiemensen zien wel dat het gebeurt,” zegt hij, „maar ze zien er geen probleem in. Dat vind ik nog het bijzonderste. Ik heb zoveel gesprekken gevoerd met agenten, ook leidinggevenden, die precies het proces van etnisch profileren beschrijven en het toch zo niet willen noemen. Ze vinden het gewoon goed politiewerk. Logisch dat je mensen die zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteitscijfers vaker controleert.” En dan zegt hij? Diepe zucht, hij wil het er eigenlijk niet meer over hebben. „Dat het bewezen ineffectief is en afbreuk doet aan de kernprincipes van de rechtsstaat. En als je de rechtsgevoelens van burgers niet respecteert, zullen ze zich juist verwijderen van de samenleving.” Hij vindt het, zegt hij, heel gek dat hij dat nog steeds moet uitleggen.

Ná Floyd en de protestdemonstraties mailt Sinan dat hij er tegenop ziet om nog een keer af te spreken om erover te praten. „Het ligt allemaal ontzettend gevoelig.” Hij wil alleen schriftelijk antwoord geven op een paar vragen. Heeft hij naar het filmpje gekeken van Floyds dood? „Dagenlang heb ik het vermeden”, mailt hij terug. „Beelden laten toch hun sporen na.” Hij heeft het pas gedaan toen de protesten in de VS echt losbarstten. En toen? „Er trok een schok door mijn lijf, de beelden zijn weerzinwekkend. Ik zag flarden. De triomfantelijke pose van Derek Chauvin.” De politieman. „Die nonchalance van de handen in zijn zakken. Floyd die om zijn moeder schreeuwt, voordat het leven zijn lichaam verlaat. Chauvins collega’s die erbij staan, en ernaar kijken.” Zijn interpretatie: „De uiterste vorm van ongewild gedefinieerd worden, is doodgaan. Chauvin had al achttien klachten op zijn naam staan. Dat betekent dat leidinggevenden hem de hand boven het hoofd hebben gehouden. Institutioneel racisme is per definitie ook een vorm van institutioneel falen.”

De verontwaardiging en woede in mijn lijf moesten eruit

Sinan Çankaya antropoloog

Ja, hij is naar de demonstatie op de Dam geweest, met een mondkapje op, en een zonnebril. „Ik wilde niet passief beschouwen. De uitsluiting van de ander – in dit geval door de dood – doet ook altijd iets met onszelf, met onze menselijkheid. De verontwaardiging en woede in mijn lijf moesten eruit.” Hij was verrast door het grote aantal mensen dat was gekomen, jong en oud, alle kleuren. Het stemde hem hoopvol in een tijd waarin in heel Europa de wind van radicaal-rechts waait.

Lees ook dit NRC-interview uit 2011 met Sinan Çankaya:‘Het ene moment hoor je erbij, het volgende niet’

De afgelopen weken, mailt hij, is hem vaak gevraagd hoe erg etnisch profileren en politiegeweld in Nederland nu is. „Alsof er een bekentenis moet worden afgedwongen, dat Nederland de VS niet is, dat het hier wel meevalt.” Klopt, schrijft hij. „Het Amerikaanse zwartwitschema past ook niet goed op de Nederlandse situatie. Nederlands racisme is anders, met een andere geschiedenis, maar niet minder ernstig, en dát moet grondig worden geanalyseerd. En bestreden. Niet met psychologische bezweringsformules over wie het meestwokeis en rituelen van absolutie waarbij ‘witte privileges’ worden afgeschud, want daar komen we niet heel ver mee.” Sinan Çankaya wil maatregelen. „Stopformulieren waarop agenten moeten motiveren waarom ze een controle uitvoeren, interne monitoring van de effectiviteit van controles, burgerraden die de politie dwingen tot verantwoording, wetswijzigingen die de beslissingsvrijheid van agenten indammen. En als agenten herhaaldelijk over de schreef gaan: durven schorsen of ontslaan.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 13 juni 2020

Een versie van dit artikel verscheen ook in nrc.next van 13 juni 2020

Lees Verder

Plaats een reactie